Historisch overzicht van de studiefinanciering

Er zijn 4 grote delen in deze evolutie:

  • Van 1835 tot 1954: De eerste fase werd gekenmerkt door de overtuiging dat studeren een sociaal voorrecht is voor kinderen met een uitmuntende begaafdheid. Al in 1835 gaf het Ministerie van Openbaar Onderwijs een beperkt aantal beurzen en universitaire leningen. Ook het in 1921 opgerichte 'Fonds der meerbegaafden' had als belangrijkste criterium de begaafdheid van de student. Toen startten ook de ‘secundaire fondsen der meestbegaafden’.
     
  • Van 1954 tot 1971: Na de tweede wereldoorlog ging men studeren zien als een economische investering. In 1954 werd het Nationaal Studiefonds opgericht. Het budget was aanzienlijk hoger. Kandidaten moesten niet alleen 'meerbegaafd' zijn maar ook 'minvermogend' om een toelage te krijgen. Er worden vanaf dan nog enkel beurzen gegeven en geen leningen meer.
     
  • Van 1971 tot 2001: de periode van de Dienst voor Studietoelagen / Afdeling Studietoelagen: beurzen en leningen (deze laatste werden evenwel nooit toegekend).
     
  • 2001 - ...: Een overgang in stappen: studietoelagen voor de 21e eeuw. Opnieuw gelijkheid tussen hoger en secundair, uitbreiding naar basisonderwijs, administratieve vereenvoudiging, E-government en digitaal aanvragen.
     

De beurzen van het Ministerie van Openbaar Onderwijs (1835) en de Fondsen der meestbegaafden (1921)

De ‘MOO’-beurzen werden opgericht door de wet van 1835 om 'aan verdienstelijke Belgische studenten, die niet door de fortuin begunstigd waren' beurzen te verlenen voor universitaire studies.

Aanvankelijk waren er 60 beurzen van 400 frank. In 1890 breidde dat uit naar 120 beurzen.

In 1947 werd het stelsel verruimd en vanaf dan gebeurde de eerste selectie altijd door de Universitaire Stichting. Vanaf dan werden ze ook op een meer rationele manier vastgesteld. De selectie werd bekrachtigd met een toelage, waarvan het gemiddelde bedrag van 1500 frank steeg tot 15000 frank, met uitersten van 30 tot 35000 frank. Deze beurzen waren dikwijls bedoeld als ‘ereleningen’ met de ‘zedelijke verplichting tot terugbetaling’.

De Fondsen der Meerbegaafden werden opgericht in 1921 om ,'hulpgeld' te verlenen voor studies na de lagere school, maar niet aan de universiteit. In 1934 waren er 11000 aanvragen, waarvoor 5373 beurzen werden verleend van gemiddeld 794fr. Ook hier bestond de ‘zedelijke verplichting’ terug te betalen.

In 1954, met de instelling van een nationaal studiefonds, verdwenen de beurzen van het Fonds der Meerbegaafden en het Ministerie van Openbaar Onderwijs en beperkte de Universitaire Stichting zich tot leningen voor postgraduate studies waarvoor het Nationaal Studiefonds (en de latere Dienst voor Studietoelagen) niet tussenbeide kwam.
 

1954: Het Nationaal Studiefonds

Het studiefonds is opgericht door de wet van 19 maart 1954. Men wilde geen nieuwe dingen invoeren, maar wel de bestaande instellingen hergroeperen, beter ordenen en uitbreiden. Het fonds had drie afdelingen:

  • secundair onderwijs ( inclusief de 4e graad L.O.)
  • niet-universitair hoger onderwijs
  • universitair onderwijs

Aanvankelijk was het aantal beurzen eigenlijk onbeperkt omdat het beschikbare geld gedeeld werd door het aantal goedgekeurde aanvragen. Iedereen kreeg dus evenveel. Later streefde men een beursgemiddelde na, jaar na jaar bepaald door het beschikbare krediet. In het laatste werkingsjaar 1971-1972 werden er 124 000 beurzen toegekend:

  • 68 800 secundaire
  • 28 400 niet-universitaire
  • 27 000 universitaire

Het waren geen ”studieleningen“ meer, die de ‘zedelijke verplichting van terugbetaling’ met zich droegen. Het werd een ”studiebeurs” die verleend werd zonder beding van terugbetaling.

Ook hier gebeurde de schifting door middel van selectieproeven. Voor de universitaire afdeling was er één commissie, voor de niet-universitaire afdeling tien (voor elke taalgroep) en voor de secundaire 106.

De beurzen werden verleend voor één school- of academiejaar, soms uitbetaald in één keer, soms uitbetaald in een voorschot en een saldo voor het hoger onderwijs alleen, bijvoorbeeld in afwachting van de vaststelling van het juiste beursbedrag.

Het is ook pas vanaf dit systeem dat niet-Belgen een kans maken op ondersteuning. Kandidaten moeten Belg zijn, of UNO-Vluchteling, of als vreemdeling minstens 5 jaar in België onderwijs gevolgd hebben. Het totale bedrag van de beurzen voor vreemdelingen mocht in het begin een bepaald percentage van de totale beurskredieten niet overschrijden.

1971: De diensten voor studietoelagen

De wet van 19 juli 1971 richt een Nederlandse en een Franse dienst op, elk met een afdeling secundair onderwijs en een afdeling hoger onderwijs. Het is ook vanaf dit moment dat men over ‘studietoelagen’ spreekt en niet meer over ‘studiebeurzen’.

De begaafdheid staat niet langer centraal, maar wel onderwijskansen geven aan iedereen. Leerlingen zijn op dat moment leerplichtig tot 14 jaar, en men wil een stimulans voor jongeren om verder te studeren tot 18 jaar en een diploma van het secundair onderwijs te behalen. Het belangrijkste principe van deze wet is de minvermogendheid, die vastgelegd wordt onder de vorm van inkomensgrenzen. Elke studerende waarvan het inkomen van de ouders beneden deze grens ligt, is 'minvermogend' en heeft recht op een studietoelage.

Toen al stonden democratisering van het onderwijs en het creëren van gelijke kansen centraal, zoals blijkt uit volgende passage uit de memorie van toelichting: "Een werkelijke democratisering van het onderwijs vereist enerzijds dat de onderwijsstructuren en de leermethodes de volledige ontplooiing van alle hoedanigheden van het kind mogelijk maken en dat anderzijds het kind, dat in staat is om op bevredigende wijze een bepaalde onderwijscyclus te volgen, daarvan niet zou verhinderd worden om redenen van geldelijke aard, terwijl het zeer vaak een grote sociaal-culturele handicap heeft moeten overwinnen." De fiscaliteit werd aangevoerd als het meest objectieve middel om de minvermogendheid te bepalen.

De wet voorzag de toekenning van leningen en toelagen.

Bij de eerste toepassing 1972 - 1973 beslist men ‘voorlopig’ enkel studietoelagen te geven en geen leningen. Een gelijkaardige ‘geleidelijke toepassing’ is er ook bij de secundaire afdeling. In 1972-1973 komen nog alleen de leerplichtige leerlingen van het lager secundair onderwijs in aanmerking. In de loop van dat schooljaar breidt men al uit naar alle leerlingen van het lager secundair onderwijs. En in 1973-1974 komen ook scholieren van het hoger secundair in aanmerking.

In de eerste 4 jaar (72-73 tot 75-76) is er een grote toename van het aantal toelagen, van 86 074 naar 256.696. Opmerkelijk is dat het voorziene bedrag maar van 1.025.000 frank naar 1.705.000 frank stijgt. De bedragen voor leerlingen secundair zijn dan ook lager dan voordien: van gemiddeld 5.175 fr. in 71-72 gaat het in 75-76 maar om 2.875 fr.

De mogelijkheid voor vreemdelingen om een toelage te krijgen verandert licht:

  • ofwel UNO-vluchteling en minstens een jaar in België verblijven
  • ofwel onderdaan van een ontwikkelingsland, die met zijn gezin in België verblijft en er sedert minstens 5 jaar onderwijs volgt;
  • ofwel met hun gezin in België verblijven, er sedert minstens 5 jaar onderwijs volgen en er moet wederkerigheid bestaan ten overstaan van Belgen die in hun land onderwijs volgen.

Vanaf 1978 kunnen ook studenten of leerlingen die in het buitenland les volgen een toelage krijgen onder bepaalde voorwaarden.

Leningen toekennen, wat wel in de tekst van de wet staat, wordt uiteindelijk nooit effectief ingevoerd omdat men in de eerste plaats de toelagen secundair wil optrekken en er onvoldoende budget is. Terugbetalingen ‘op eer’, zoals voordien, leveren relatief weinig op en ‘gedwongen’ terugbetaling is moeilijk te realiseren omdat degenen die door de studie hogerop kunnen geraken, en de lening dus zouden moeten terugbetalen, op het moment van de lening nog minderjarig zijn.

In 1983 (na de regionalisering) maakt een besluit van de Vlaamse regering betreffende de studietoelagen voor hoger onderwijs een einde aan de gelijklopende regeling voor het secundair en het hoger onderwijs en kreeg het systeem van studietoelagen voor het hoger onderwijs meer vorm. Dit besluit omschrijft een aantal nieuwe voorwaarden om in aanmerking te komen voor een studietoelage die gunstiger zijn dan in de vorige regelgeving. Er werd een ander berekeningssysteem en andere inkomensgrenzen vastgelegd. Aangezien de leerplicht tot 18 jaar ingevoerd werd, werd de doorstroom naar het hoger onderwijs het belangrijkste streefdoel van het studietoelagestelsel.

Voor het secundair onderwijs blijft nog altijd de wetgeving van 1971 de basis.

In de loop van deze periode worden wel tal van correcties aan het systeem aangebracht. Een van de belangrijker correcties aan de inkomensvoorwaarde is de invoering van de test op het kadastraal inkomen. Omdat de bepaling van minvermogendheid zich baseert op de gegevens van de directe belastingen, bleek het dat een aantal personen zich onterecht als minvermogend konden voordoen. De ‘ki-test’ kijkt na of het gezin van de aanvrager belangrijke onroerende eigendommen heeft die niet gebruikt worden als eigen woning maar die verhuurd worden of kunnen worden als indicator van welstand.
 

2001- … Een overgang in stappen: studietoelagen voor de 21e eeuw

Een beperkte herziening in 2001

In 2001 werd de wetgeving van het hoger onderwijs geactualiseerd. Het systeem werd niet fundamenteel gewijzigd, maar gaf een aanzet tot aanpassing aan de veranderde maatschappelijke realiteit. Het gaat dan over deze elementen:

  • de invoering van de jokerbeurs: tot dan kon enkel een geslaagde student recht hebben op een toelage
  • de gelijke behandeling van samenwonende en gehuwde studenten
  • de verruiming van het systeem van vermoedelijk inkomen ( als het inkomen in het jaar dat de toelage aangevraagd werd, gedaald was, kon men de toelage voorlopig laten berekenen op basis van de verminderde inkomen)
  • de aanpassing van de volledige studietoelage aan de directe studiekost
  • het optrekken van de minimumtoelage tot 198,31 euro (8000 BEF)
  • de invoering van een bodem-KI
  • de tegemoetkoming aan eenoudergezinnen.
  • de invoering van een derde studieniveau met betrekking tot het recht op een studietoelage

Bij de goedkeuring van dit decreet werd gesteld dat het een overgangsdecreet betrof en dat een grondige herziening zich opdrong om tegemoet te komen aan een aantal noden en behoeften die ontstaan zijn ten gevolge van de gewijzigde maatschappelijke context, waarop de huidige wetgeving onvoldoende antwoord geeft.

Een nieuw decreet voor hoger onderwijs in 2004

In 2002 startte een Task Force Studietoelagen met vertegenwoordigers van de Afdeling studietoelagen en Administratie Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek, Kabinet Onderwijs, Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR), Vlaamse Vereniging voor Studenten (VVS), Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA) en enkele experts om het kader voor een toekomstig decreet over studiefinanciering en studentenvoorzieningen te schetsen:

  • Wijzigingen in het hogeronderwijslandschap: het Bolognaproces het decreet betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs, de flexibilisering, de internationalisering en het levenslang leren.
  • Wijzigingen in de maatschappelijke context: het stijgende aantal echtscheidingen, waardoor meer eenoudergezinnen en mozaïekgezinnen ontstaan, de dreigende dualisering in de kennismaatschappij, de noodzaak aan specifieke aandacht voor allochtonen, de positie van de student in de samenleving, …

De conclusies van de Task Force leidden in 2004 tot een nieuw decreet dat effectief startte in het academiejaar 2004-2005 voor het hoger onderwijs. Hun nota werd de basis voor de latere memorie van toelichting bij het decreet.

Dit was de start van een aantal belangrijke wijzigingen, zowel op vlak van regelgeving als op vlak van verwerking van de aanvragen in de periode 2004-2007.

Een nieuw decreet voor secundair onderwijs in 2007

Door de hervorming van de studiefinanciering voor het hoger onderwijs, werd het verschil met de wetgeving voor het secundair onderwijs alsmaar groter. De basis van deze wetgeving was eigenlijk nog altijd de wet uit 1971. Het meest voelbare verschil was dat de toelagebedragen al jarenlang niet meer aangepast waren aan de index. Dat leidde ertoe dat er steeds minder toelagen SO werden uitbetaald.

In 2007 werd dan een nieuw decreet goedgekeurd, waarin de meeste zaken rechtgezet werden en er ook een belangrijke verbreding kwam:

  • uitbreiding van de schooltoelagen naar het basisonderwijs (vanaf schooljaar 08-09)
  • dezelfde inkomensgrenzen voor hoger- als secundair- en basisonderwijs
  • verruiming van de leeftijdsgrenzen voor secundair (in sommige richtingen zijn er zelfs geen beperkingen meer)
  • slagen is niet meer vereist om een toelage te krijgen, regelmatige aanwezigheid wel
  • verhoging van de bedragen van de schooltoelagen

Het decreet wordt opgesteld voor hoger én secundair, zodat ze vanaf 2007-2008 van dezelfde wettelijke basis vertrekken. De belangrijkste vernieuwing die dat meebrengt is de mogelijkheid één gezinsdossier in te dienen voor alle kinderen. Meer hierover in het volgende deel, de evoluties in de dossierbehandeling.
 

Cijfergegevens

School - en academiejaar 2002 - 2003

  Aantal
aanvragen studietoelagen
Aantal
toegekende studietoelagen
% Geweigerd
om financiële reden
% Geweigerd
om andere reden
% Toegekende bedragen
in euro
Gemiddelde toelage
in euro
Lager
Secundair
Onderwijs
60.623 43.386 71,56 16.631 27,43 606 1 6.534.820,93 150,62
Hoger
Secundair
Onderwijs
49.105 32.984 67,17 13.850 28,2 2.271 4,62 5.937.598,00 180,01
Totaal
Secundair
onderwijs
109.728 76.370 69,59 30.481 27,78 2.877 2,62 12.472.418,93 163,32
1 cyclus 28.008 20.535 73,31 6.498 23,2 975 3,48 27.952.599,01 1.361,22
2 cycli 7.318 5.388 73,62 1.763 24,09 167 2,28 8.144.386,13 1.511,58
Universitair 15.902 11.547 72,61 3.967 24,95 388 2,44 18.917.618,44 1.638,31
Totaal
Hoger
Onderwijs
51.228 37.470 73,14 12.228 23,87 1.530 2,99 55.014.603,58 1.468,23
Algemeen totaal 160.956 113.840 70,72 42.709 26,53 4.407 2,74 67.487.022,51  

 

School - en academiejaar 2003 - 2004

  Aantal
aanvragen
studietoelagen
Aantal
toegekende
studietoelagen
% Geweigerd
om
financiële
reden
% Geweigerd
om
andere
reden
% Beraden % Toegekende
bedragen
in €
Gemiddelde
toelage
in €
Secundair
Onderwijs
114.004 77.417 67,9 31.199 27,37 3.074 2,7 2.314 2,03 12.574.594,12 162,42
Hoger
Onderwijs
52.717 36.935 70,06 11.877 22,53 2.163 4,1 1.742 3,3 55.652.425,59 1.506,76
Algemeen
totaal
166.721 114.352 68,59 43.076 25,84 5.237 3,14 4.056 2,43 68.227.019,71 -

 

School - en academiejaar 2004 - 2005

  Aantal aanvragen studietoelagen Aantal toegekende studietoelagen % Geweigerd om financiële reden % Geweigerd om andere reden % Beraden % Toegekende bedragen in € Gemiddelde toelage in €
Secundair Onderwijs 107.045 75.849 70,86 27.069 25,29 2.803 2,62 1.324 1,24 12.483.958,86 164,58
Hoger Onderwijs 51.018 36.514 71,57 10.495 20,58 2.135 4,18 1.874 3,7 55.568.584,48 1.521,84
Algemeen totaal 158.063 112.363 71,09 37.564 23,77 4.938 3,12 3.198 2,02 68.052.543,34  

 

School - en academiejaar 2005 - 2006

  Aantal aanvragen studietoelagen Aantal toegekende studietoelagen % Geweigerd om financiële reden % Geweigerd om andere reden % Beraden % Toegekende bedragen in € Gemiddelde toelage in €
Secundair Onderwijs 100.042 72.679 72,65 23.347 23,34 2.618 2,62 1.398 1,40 11.979.873,60 164,83
Hoger Onderwijs 52.826 37.564 71,11 8.798 16,65 4.820 9,12 1.644 3,11 57.711.407,61 1.404,38
Algemeen totaal 152.868 110.243 72,12 32.145 21,03 7.438 4,87 3.042 1,99 69.691.281,21  

 

School - en academiejaar 2006 - 2007

  Aantal aanvragen studietoelagen Aantal toegekende studietoelagen % Geweigerd om financiële reden % Geweigerd om andere reden % Beraden % Toegekende bedragen in € Gemiddelde toelage in €
Secundair Onderwijs 98.366 70.901 72,08 24.715 25,13 2.750 2,80     11.911.698,71 168,00
Hoger Onderwijs 52.427 38.325 73,10 10.636 20,29 1.411 2,69 2.055 3,92 57.242.081,48 1.493,59
Algemeen totaal 150.793 109.226 72,43 35.351 23,44 4.161 2,76 -   69.153.780,19  

 

School - en academiejaar 2007 - 2008

  Aantal aanvragen studietoelagen Aantal toegekende studietoelagen % Geweigerd om financiële reden % Geweigerd om andere reden % Beraden % Toegekende bedragen in € Gemiddelde toelage in €
Secundair Onderwijs 130.760 104.672 72,75 22.203 16,98 3.578 2,74     26.199.800,93 250,30
Hoger Onderwijs 54.051 39.324 80,05 12.981 24,02 1.629 3,01     59.318.272,18 1.508,45
Algemeen totaal 184.811 143.996 77,92 35.184 19,04 5.207 2,82     85.518.073,11